De wolken vliegen hard door de donkere onheilspellende lucht.
Een oude man staat op het strand. Door een vloedgolf zijn er honderden vissen op het zand terecht gekomen. Onverstoorbaar pakt de man er een op, loopt naar de waterlijn en laat het dier daar los. Hij wandelt terug en pakt er nog een op, die hij ook weer in het water loslaat. Zo doet hij in alle rust, terwijl er langzamerhand steeds meer vissen zijn die alleen nog maar happen of de geest al hebben gegeven.
Een jonge man met een hond staat dit tafereel te aanschouwen en loop na een tijdje op de oude man af. ‘Beste man,’ begint hij, ‘zou u hier niet mee ophouden? Het is onbegonnen werk al die vissen te redden. Moet u zien hoeveel er zijn, dat lukt u nooit.’
De oude man staart zijn gesprekspartner zwijgend aan. Hij loopt onaangedaan nog een keer naar het water en laat de vis die hij nog vasthad los. Op de weg terug pakt hij echter een nieuwe op en houdt deze op ooghoogte spartelend voor het gezicht van de man. ‘Onbegonnen werk, zei je?’ vraagt hij, ‘Wil jij dat dan misschien ook even aan dit dier uitleggen?’

