Hij staat daar. Steunend op het rechterstandbeen, de linkervoet iets vooruit. Als de David van Michelangelo, maar dan in de moderne tijd. Vanzelfsprekend op een plek buiten het gedrang en niet in het looppad. Bij voorkeur naast een rek dat niet in trek is of bij een pilaar. Niet te dicht bij de kleedkamers, maar ook niet te ver weg. Je moet contact kunnen blijven houden. De tafel met kranten en koffie is nog niet in bereik. Je moet je plek kennen in de kledingzaak. Deze plaatsen zijn voor hoger in de rangorde; zij die in het pas-proces zitten hebben daar recht op.
De houding is van groot belang. Als hij onvermijdbaar zichzelf in één van de grote spiegels ziet, moet hij kracht uitstralen. Hij wil niet als watje overkomen. Zoals die figuren die er steeds 2 passen achter aan lopen. Veel te veel mogelijkheden om om je mening gevraagd te worden. Dat is de extra moeilijkheidsgraad. Hij wil niet dat dat auberginekleurig ding met roesjes het huis inkomt, maar ook zijn enthousiasme en openheid tonen. Dus eerst met energie: “Ja mooi!” en na een korte goed getimede pauze: “Alhoewel, in dit licht, hmm, ik weet het niet hoor… ”
Maargoed, dat gebeurt hem niet, nu hij de juiste positie heeft. Hij heeft zichzelf al nuttig gemaakt: jas, tas, sjaal over zijn arm. En strak voor zich uit kijkend wordt er heel af en toe een vluchtige blik uitgewisseld met een lotgenoot. Een nauwelijks waar te nemen glimlach wordt gedeeld. “Jij ook”. Maar dan volgt al snel het verlossende moment. “Ze hebben hier niks! Vorige keer ook al niet”. “Jammer schat… heel vervelend”. Na het overdragen van jas, tas en sjaal knikt hij voor de laatste maal naar zijn lotgenoot en verlaat de winkel. Op naar de volgende!

