Een avontuurlijke groep mensen trok in het verre Tibet de Himalaya in om op grote hoogte een nieuw leven op te bouwen. De mensen in het laaggebied verklaarden hen voor gek – de bergen waren prachtige jachtgebieden, maar om daar nu te gaan leven, dat was een ander verhaal.
De groep was echter vastbesloten en ging op weg. De reis was zwaar en zonder uitzondering raakte iedereen buiten adem. Op deze hoogte was de lucht een stuk ijler. De harten sloegen sneller, het zweet stroomde van de vertrokken gezichten. Ondanks het doorzettingsvermogen en broederschap van alle deelnemers, moesten sommigen terugkeren naar lagere gebieden.
Zij die de veelvragende trektocht doorstonden vonden na een paar weken een prachtige alm, waar zij besloten hun dorp te stichten. Bij het kampvuur spraken de eersten al over langzaam het terugzakken van hun hartslag. Het aantal zweetparels op de voorhoofden werd steeds minder: de lichamen raakte gewend aan de omstandigheden. Waar bij aankomst het opzetten van een tent al uitputtend was, gingen steeds meer mensen aan de slag om met stenen hun huisje te bouwen.
Er waren echter een paar reizigers die hun rust maar niet konden vinden. De groep gaf tips over slapen en eten, over lichaamsbeweging en meditatie. Geforceerd deden ze mee met de bedrijvigheid, maar aan het einde van de dag waren ze helemaal kapot. Ze stonden voortdurend onder spanning: bleven ze trouw aan hun verlangen in de bergen te wonen of moesten ze hun lichaam de omgeving geven waar het om vroeg? Ieder trok zijn eigen conclusie. In de loop van de maanden vertrokken sommigen naar het laagland – met lood in hun schoenen, wachtend op een schampere lach bij hun terugkeer. Anderen lieten zich niet kennen en zetten door, onder hen werden velen ziek of kwamen nooit meer terug van de jacht.
De jaren verstreken en de eerste generatie kinderen groeide op. Zij hadden nooit in een andere omgeving gewoond en het laagland kenden ze alleen van verhalen. Wanneer de ouderen van het dorp vertelde over het wonen en werken in het laagland en de de moeilijke aanpassing van eerste maanden, keken de jongeren hen ongelovig aan.
Zoals in de verhalen kwamen er af en toe eenzame reizigers steunend, hijgend en kreunend bij het dorp. De ouderen konden sympathie opbrengen en hielpen de nieuwelingen zo goed en kwaad als het ging bij hun fysieke aanpassing. Ondanks de verhalen, vonden de jongeren hen maar raar; als je lichaam het niet aankon dan moest je hier niet wezen. De gasten wachtte hetzelfde lot als de eerste groep reizigers die niet konden aarden: terugkeren of sterven.

